De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het ontstaan van het Nieuwe Testament
 

 
Van gesproken woord naar heilige Schrift

door Luc Devisscher

De joodse bijbel, het zogeheten (christelijke) Oude Testament, kent een lange ontstaansgeschiedenis. Dat geldt eveneens voor het tweede deel van de christelijke bijbel, het Nieuwe Testament. Ook dat is niet uit de hemel komen vallen. Luc Devisscher schetst het ontstaan van het Nieuwe Testament.

Voor zover bekend was Jezus geen schrijver; in elk geval heeft hij geen geschriften nagelaten. Zijn woorden en daden zijn tot ons gekomen via zijn leerlingen, eerst mondeling overgeleverd, later op schrift gesteld. Dat is minder uitzonderlijk dan het lijkt. Hetzelfde is namelijk het geval met de duizenden leraren van het farizees-rabbijnse jodendom, de meest invloedrijke stroming in Jezus' tijd en later, waarmee Jezus zeer verwant was. Ook van deze leraren zijn de daden en het onderricht eerst generaties lang mondeling overgeleverd. Totdat ze, soms eeuwen later, hun schriftelijke neerslag vonden in de rabbijnse literatuur.

Het verhaal wordt doorverteld...
Aan het Nieuwe Testament zoals wij dat kennen, liggen oorspronkelijk drie bronnen ten grondslag. Een eerste bron vormt Jezus' onderricht en prediking van omkeer en bevrijding, die na zijn dood in ± 30 n.Chr. door zijn leerlingen wordt voortgezet.
Die leerlingen ervaren ook dat Jezus leeft. Ze voelen zich gesterkt door zijn geest om zijn boodschap te verkondigen, eerst aan hun joodse broeders en zusters, maar al vrij spoedig ook aan niet-joden. Het is het verhaal van een levende geworden. Deze Paas- of verrijzeniservaring is wezenlijk voor de verspreiding van de Jezusbeweging, die begon als een joodse groepering maar uiteindelijk zou uitgroeien tot een wereldgodsdienst los van het jodendom.
De leerlingen zijn ooggetuigen geweest van Jezus' optreden. Hun getuigenis is richtsnoer voor de verkondiging geworden. Zij vormen een tweede bron. Met behulp van de joodse Schrift (hun bijbel) hebben zij de betekenis van Jezus' persoon, woorden en daden proberen te verstaan. De joodse Schrift is een derde bron.

... en opgeschreven...
Wanneer dit precies gebeurt, is moeilijk te zeggen. Teksten zijn ook niet het einde van de mondelinge verkondiging. Het is in eerste instantie een praktische noodzaak die aan de verkondiging ook schriftelijk een vorm geeft. In de plaatselijke gemeenschappen worden bouwstenen voor prediking, liturgie en catechese op schrift gesteld. Het zijn teksten die we als fragmenten in de latere boeken van het Nieuwe Testament zullen terugvinden. Ook brieven vormen in die tijd een belangrijke schakel tussen de verspreide gemeenten.

... in 27 boeken...
Naarmate er minder mensen overblijven die Jezus en zijn leerlingen hebben gekend, groeit het belang van een schriftelijke vastlegging van de apostolische verkondiging. Rond het jaar 70 n.Chr. komt Marcus met een evangelie. Voor zover bekend is dit de eerste poging om de mondelinge en schriftelijke overlevering tot dan toe, te ordenen tot een afgerond evangelieverhaal. In zijn voetspoor volgen Matteüs (± 80) en Lucas (± 85) en ten slotte Johannes (± 90).
De evangelisten zijn niet slechts verzamelaars geweest van reeds bestaande tradities met het onderricht van Jezus of verhalen over hem. In hun evangelieverhaal hebben zij hun eigen visie op Jezus en zijn betekenis verweven. Al vrij vroeg is aan deze evangeliën terecht het opschrift 'kata' of 'volgens' toegevoegd.
Naast deze vier evangeliën bevat het Nieuwe Testament ook 21 brieven. Veertien daarvan staan op naam van Paulus en zijn gericht aan een afzonderlijke gemeente of persoon. Sommige van deze brieven zijn ouder dan de evangeliën. De oudste is 1 Tessalonicenzen, die werd geschreven in het jaar 50. Daarmee is deze brief tevens het oudste geschreven document van het Nieuwe Testament. Verder zijn er ook de zeven zogenaamde Katholieke of Algemene Brieven. Ze heten zo, omdat ze een meer algemene strekking hebben en oorspronkelijk niet voor een bepaalde gemeente of persoon waren bestemd.
Ten slotte moeten nog twee boeken moeten vermeld: de Handelingen van de Apostelen en de Apokalyps of Openbaring van Johannes. Het boek Handelingen is afkomstig van Lucas en biedt een vervolg op zijn evangelie. Het beschrijft de geschiedenis van de verspreiding van de goede boodschap vanuit Jeruzalem tot in Rome. Het is vermoedelijk geschreven kort na zijn evangelie.
Het boek Apokalyps wordt toegeschreven aan Johannes. Het is een geschrift dat een hart onder de riem wil steken in een tijd van vervolging. Het werk dateert waarschijnlijk uit de tijd van de vervolgingen onder keizer Domitianus (81-96 n.Chr.).

... en samengebracht in een canon
Alles samengenomen tellen we 27 boeken. Deze verschillende geschriften worden ons vandaag voorgelegd in één band. Ze vormen samen de canon van het Nieuwe Testament. Toch heeft het enkele eeuwen geduurd voordat die canon definitief was vastgelegd.
De brieven van Paulus zijn waarschijnlijk het eerst verzameld. De kerkvaders verwijzen regelmatig naar de brieven op een manier die het bezit van kopieën van die brieven veronderstelt. Voor het einde van de tweede eeuw moet reeds een verzameling hiervan hebben bestaan. Ook uit de evangeliën wordt veelvuldig geciteerd. Dit beperkt zich echter niet tot de huidige vier. Nog tot ver in de tweede eeuw zullen in de verschillende gemeenten andere (apocriefe) evangeliën gebruikt worden. Van een verzameling van andere geschriften (o.a. de brief aan de Hebreeën, de eerste brieven van Petrus en Johannes en de Apokalyps) vinden we slechts sporadisch sporen.
Rond het jaar 150 n.Chr. wordt aan deze verzamelde geschriften veelal een zelfde gezag toegekend als aan de joodse Schrift. Ze worden samen in de liturgie voorgelezen. Niet overal hadden deze verzamelingen dezelfde inhoud. Er circuleren ook geschriften die niet in de latere canon zullen worden opgenomen. Gaandeweg verschuift ook het gezag van de mondelinge overlevering naar de geschreven teksten.

De canon rond 200
In de jaren die volgen krijgt de canon steeds meer vaste vorm. We bezitten een Latijns handschrift uit de achtste eeuw dat een vertaling bevat van een officieel document uit ± 200. Daarin staan de algemeen aanvaarde geschriften opgesomd, naast de geschriften die verworpen moeten worden. Deze canon bevatte: de vier evangeliën, dertien brieven van Paulus, de eerste brieven van Petrus en Johannes en de Apokalyps.
Over de andere brieven en de brief aan de Hebreeën is nog geen eenstemmigheid. De canon van het Nieuwe Testament ligt nog niet definitief vast. Bijna overal worden ook nog andere geschriften gebruikt die later niet in de canon zullen worden opgenomen.

Griekse kerk (200-400)
Met name in de Griekssprekende kerken is veel discussie over de juiste omvang van de canon geweest. Doorslaggevend werd het standpunt van de kerkvader Athanasius van Alexandrië. In het jaar 367 geeft hij in zijn Paasbrief een lijst met de huidige 27 boeken van het Nieuwe Testament, 'waaraan niemand nog iets mag toevoegen of veranderen'. Tevens maakt hij het onderscheid tussen boeken die niet-canoniek zijn, maar die men mag gebruiken ter voorlezing, èn boeken die door de kerk verworpen zijn (apocriefen).
Door het gezag van deze bisschop viel de discussie over de lijst van de Katholieke Brieven in de Griekse kerk nu stil. Dit gold echter niet voor de Apokalyps. Daarover bleef nog lang aarzeling bestaan.
In de westers-Latijnse kerk was veel minder discussie. Over de Apokalyps bijvoorbeeld bestond geen twijfel of hij canoniek was. Die twijfel heeft geruime tijd nog wel bestaan over de Hebreeënbrief en de Katholieke Brieven. Onder invloed van de Griekse kerk groeide echter ook in de westers-Latijnse kerk overeenstemming over deze geschriften. Op het oecumenische concilie van Carthago in 419 is deze kwestie definitief beslecht.

Verscheidenheid
Sinds de vierde (in de westerse kerk) en vijfde eeuw (oosterse kerk) heeft de kerk de 27 boeken van het Nieuwe Testament als haar canon erkend. Stuk voor stuk zijn het geschriften die op een eigen en authentieke manier de boodschap van Jezus doorgeven. Het hadden er misschien zelfs nog wat meer mogen zijn.
In de eerste eeuwen zijn er pogingen geweest om de vier evangeliën te vervangen door een evangeliënharmonie, waarin alle onderlinge verschillen en tegenstrijdigheden zouden zijn opgeheven. En de gnosticus Marcion (85 - 160) aanvaardde alleen een van alle joodse elementen 'gezuiverd' Lucas-evangelie en tien brieven van Paulus. De rest verwierp hij als 'te joods'. Gelukkig hebben al die pogingen het niet gered. Er is verscheidenheid in het Nieuwe Testament gebleven. Dat is geen manco, maar een verrijking en een goddelijk geheim, zoals sommige kerkvaders reeds wisten.

Luc Devisscher is stafmedewerker Vlaanderen van de Katholieke Bijbelstichting.

Deze tekst verscheen eerder als artikel in: Bijbelmagazine JOTA (KBS / VBS), jrg. 9, 1997, nr. 2, blz. 16-17.


De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties