![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
Vrijdag na de 2e zondag van PasenHandelingen 5,34-42
Uit de Handelingen van de Apostelen
In die dagen was er in het Sanhedrin een Farizeeër,
Gamaliël, een wetgeleerde, die bij het gehele volk in aanzien stond. Hij liet de apostelen een ogenblik naar buiten brengen. Daarop zei hij: “Mannen van Israël, bedenkt wel wat gij met deze mannen gaat doen. Vóór onze tijd immers trad Teudas op, die beweerde dat hij iemand van betekenis was en bij wie zich een groep van ongeveer vierhonderd man aansloot. Hij werd gedood en allen die op hem vertrouwden, werden uiteengejaagd. Na hem, in de dagen van de volkstelling, trad Judas de Galileeër op en sleepte veel volk mee. Ook hij ging te gronde en allen die op hem vertrouwden, werden verstrooid. Wat ons geval betreft zeg ik u: bemoeit u niet met deze mensen maar laat ze hun gang gaan. Gaat deze opzet of dit werk van mensen uit, dan zal het op niets uitlopen. Gaat het echter van God uit, dan zult gij hen niet uiteen kunnen slaan; anders zou misschien blijken dat gij tegen God in verzet zijt.” Zij lieten zich door hem overreden. Zij riepen de apostelen, lieten hen geselen, verboden hun te spreken in de naam van Jezus en stelden hen in vrijheid. De apostelen verlieten het Sanhedrin, verheugd dat ze waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de naam van Jezus. Zij gingen door met dagelijks in de tempel en in de huizen onderricht te geven en de Blijde Boodschap te verkondigen dat Jezus de Messias is. Johannes 6,1-15
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
In die tijd begaf Jezus zich naar de overkant
van het meer van Galilea, bij Tiberias. Een grote menigte volgde Hem omdat zij de tekenen zagen die Hij aan de zieken deed. Jezus ging de berg op en zette zich daar met zijn leerlingen neer. Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden. Toen Jezus zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam vroeg Hij aan Filippus: “Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?” – Dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want zelf wist Hij wel wat Hij ging doen. – Filippus antwoordde Hem: “Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.” Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: “Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo’n aantal?” Jezus echter zei: “Laat de mensen gaan zitten.” Er was daar namelijk veel gras. Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend. Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde. Toen ze verzadigd waren zei Hij tot zijn leerlingen: “Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.” Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren. Toen de mensen het teken zagen dat Hij had gedaan zeiden ze: “Dit is stellig de profeet die in de wereld moet komen.” Daar Jezus begreep dat zij zich van Hem meester wilden maken om Hem mee te voeren en tot koning uit te roepen, trok Hij zich weer in het gebergte terug, geheel alleen. |
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013. - Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||