![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
Zaterdag onder het octaaf van PasenHandelingen 4,13-21
Uit de Handelingen van de Apostelen
In die dagen
stonden de hogepriesters, de oudsten van het volk en de schriftgeleerden verbaasd toen zij de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen. Zij herkenden hen als gezellen van Jezus. Omdat zij bovendien de genezen man bij hen zagen staan wisten zij er niets tegen in te brengen. Nadat zij hun gelast hadden het Sanhedrin te verlaten pleegden zij met elkaar overleg en zeiden: “Wat moeten wij met die mensen doen? Het is duidelijk voor alle inwoners van Jeruzalem dat een onmiskenbaar wonderteken door hen is verricht. We kunnen dat niet loochenen. Maar om te verhinderen dat het gerucht daarvan nog verder onder het volk verbreid wordt zouden we hun met dreigementen moeten verbieden nog ooit met een beroep op die Naam tot enig mens te spreken.” Toen riepen zij hen binnen en verboden hun nog iets te zeggen of te leren met een beroep op Jezus’ Naam. Petrus en Johannes gaven hun echter ten antwoord: “Oordeelt zelf of het voor God te rechtvaardigen zou zijn als wij meer naar u luisterden dan naar God. Het is voor ons onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben.” Na hen nogmaals gedreigd te hebben stelden zij hen in vrijheid omdat ze met het oog op het volk niet wisten hoe ze hen moesten straffen; want allen verheerlijkten God om hetgeen er gebeurd was. Marcus 16,9-15
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
Nadat Jezus
in de vroege morgen van de eerste dag van de week verrezen was, verscheen Hij het eerst aan Maria Magdalena uit wie Hij zeven duivels had uitgedreven. Deze ging het vertellen aan hen die zijn metgezellen waren geweest en nu rouwden en weenden. Maar toen zij hoorden dat Hij leefde en door haar gezien was geloofden ze het niet. Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen toen zij te voet op weg waren naar buiten. Nadat dezen teruggekeerd waren vertelden ze het aan de overigen, maar zelfs zij werden niet geloofd. Later verscheen Hij aan de elf terwijl zij aan tafel aanlagen. Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof, omdat zij geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem gezien hadden nadat Hij verrezen was. Daarop sprak Hij tot hen: “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.” |
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013. - Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||