![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
Vrijdag in week 1 van de VeertigdagentijdEzechiël 18,21-28
Uit de profeet Ezechiël
Zo spreekt de HEER:
“Wanneer de boosdoener zich afkeert van al de zonden die hij heeft bedreven, wanneer hij al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij leven, zeker leven en hij zal niet sterven. Van al de wandaden die hij bedreven heeft wordt hem er geen meer toegerekend en vanwege de gerechtigheid die hij betracht heeft zal hij leven. Zou Ik soms behagen vinden in de dood van een boosdoener – zo spreekt God de HEER – en niet veeleer dáárin dat hij zich afkeert van zijn wegen en in leven blijft? Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en verkeerde dingen gaat doen, wanneer hij al de afschuwelijkheden bedrijft die de boosdoener begaat, moet hij dan in leven blijven? Neen, van al de rechtvaardige daden, die hij verricht heeft, wordt hem er geen meer toegerekend; en vanwege de ontrouw die hij getoond heeft, vanwege de zonde, die hij heeft bedreven, zal hij moeten sterven. Gij beweert: ‘De weg van de HEER is niet recht!’ Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk mijn weg zijn, die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht? Als een rechtvaardige zich van zijn eigen rechtvaardigheid afkeert en kwaad gaat doen, dan zal hij daaraan sterven: sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft. En als de boosdoener zich van zijn boze daden afkeert en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd, dan zal hij in leven blijven. Als hij tot inzicht komt en zich afkeert van zijn slechte daden, dan blijft hij zeker in leven, dan zal hij niet sterven.” Matteüs 5,20-26
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin. En wie zegt: dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar, en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.” |
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013. - Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||